Gijsbert Jansze Lugt, van derMaria (Marijtje) Gerrits Visch Goudswaart

Jan Lugt, van derGrietje Broekhuisen

Johannes (Jan) Lugt, van der

f a m i l y
Children with:
Trijntje Dirkse Oor, van 't

Children:
Joseph Lugt, van der
Dirk Lugt, van der
Maartje Lugt, van der
Johannes Jan Lugt, van der
Markus Lugt, van der
Marcus Lugt, van der
Adriaantje Lugt, van der
Kornelia Lugt, van der
Kornelia Lugt, van der
Joost Lugt, van der
Adriana (Ariejaantje) Lugt, van der (Valkenier)
Johannes (Jan) Lugt, van der
  • Born: 26 Mar 1769, Asperen
  • Married 27 Sep 1795, Vlaardingen, to Trijntje Dirkse Oor, van 't
  • Died: 9 Jan 1834, Frederiksoord
  • Occupation: Arbeider, sjouwer, kolonist, Stadszakkendrager
  • Image gallery (6 images)

    pict64.jpg [122x193] Trouwakte van Johannes (Jan) van der Lugt en Trijntje van Toor
    Gedoopt: Ned.Ger. te Asperen 16-4-1769
    Getuigen: de Moeder en Jan Broekhuijsen - Onecht kind

    Johannes/Jan van der Lugt, geb. Asperen 26-3-1769, ged. (ned.geref.) Asperen 16-4-1769 (onecht, getuige; de moeder en Jan Broekhuijsen), arbeider, sjouwer, kolonist, overl. Frederiksoord 9-1-1834, ondertr./tr. (stadstrouw) Vlaardingen 11/27-9-1795 Trijntje van 't Oor, ged. (nederd.geref.) Vlaardingen 17-2-1771, werkster, koloniste, overl. Heenvliet tussen 29-4-1841 en 20-6-1853, dr. van Dirk Jooste van Toor\van 't Oar, zeevisser, en Maartje Hendriksd de Heer.

    27-04-1805 is Johannes door de gem. Vlaardingen aangesteld als zakkendrager.
    02-07-1821, bij kontrakt (gratis) tussen het Stads-Armbestuur te Vlaardingen en de Maatschappij van Weldadigheid, met zijn vrouw en twee jongste kinderen geplaatst in kolonie I te Frederiksoord in de gem. Vledder.

    Jan/Johannes van der Lugt arriveert juli 1821, op hoeve nr 13 vanuit Vlaardingen, waar hij volgens familie-onderzoekers de beroepen 'sjouwer' en 'stadszakkendrager' uitoefende. Het gezin, bestaande uit man, vrouw en twee kinderen, heeft geen problemen met de koloniale tucht, maar zoon Joseph van der Lugt later des te meer. Hij trouwt met Maria Wilhelmina Reling, dochter van een ongehuwde moeder die vanuit Deventer in de kolonie is geplaatst en dat schijnt een brutaaltje te zijn. Zij heeft al een keer straf gehad omdat ze door de Maatschappij beschikbaar gestelde huisraad stiekem had doorverkocht, als in juni 1839 de hoeve van zijn inmiddels overleden vader op naam van Joseph en zijn echtgenote wordt overgeschreven. Een jaar later ligt er een zware beschuldiging tegen hem bij de Raad. Hij zou een wijkmeester hebben beledigd 'door brutaliteit en het toevoegen van scheldwoorden'.

    Als hij moet voorkomen verschijnt hij zelf niet 'wegens ongesteldheid', maar neemt zijn echtgenote de honneurs waar. In eerste instantie wijt zij het aan
    'eene ogenblikkelijke drift' van Joseph, maar in tweede instantie wil zij 'haren man op eene zeer brutale wijze verschoonen, en ontziet zich zelfs niet, om zulks
    met schelden en razen tegen den wijkmeester en de geheele directie te doen'.

    En dan is de Raad kwaad.

    'In aanmerking nemende, haar gedrag voor den Raad, en de verregaande slordigheid van het huisgezin, hetwelk zeer weinig geschiktheid voor de gewone koloniën oplevert' besluit zij het echtpaar naar de strafkolonie te verbannen. Pas in 1846, na zes jaar opsluiting, keren ze weer terug in de gewone kolonie. Een jaar later worden zij alweer beschuldigd dat zij goederen verpand zouden hebben en weer twee jaar later gaat het helemaal mis. Er is een brief binnengekomen van 'den boekhandelaar H. Spanjaard uit Steenwijk' dat hem een bijbel te koop is aangeboden. Dat moet Josephs echtgenote geweest zijn, want van hem wordt nu gezegd dat hij 'zeer gebrekkig is, bijna niet loopen kan'. Slim was het ook niet, want op het schutblad van de bijbel staat dat die door de Maatschappij van Weldadigheid ter beschikking is gesteld aan J. van der Lugt. Nu hebben ze het helemaal verbruid. De directie laat weten 'van dit huisgezin uit hoofde verschillende omstandigheden en gedragingingen noch voor de kolonie in het bijzonder noch voor de Maatschappij in het algemeen, zoowel voor het tegenwoordige als voor de toekomst iets goeds te wachten'.

    En de Raad stuurt ze, incluis een inmiddels geboren dochter en zoon, naar de strafkolonie en ze keren niet meer terug in de vrije kolonie.

    06-06-1839 is Trijntje ingedeeld bij haar zoon Joseph
    22-08-1840 niet teruggekeerd van verlof. Zij is naar Vlaardingen vertrokken.

    Uit dit huwelijk:
    1. Hendrik van' t Oor, geb. (onecht, tot vader genoemd Hendrik van Oeveren), ged. (nederd.geref.) Vlaardingen 26-9-1792, begr. 4-3-1794.
    2. Johannes (Jan), geb. Vlaardingen 28-10-1796, ged. (nederd.geref.) Vlaardingen 2-11-1796 (get. Haasje van 't Oor (van Toor)
    3. Dirk, geb./ged. (nederd.geref.) Vlaardingen 27-11/6-12-1797
    4. Markus, geb. -10-1799, ged.(nederd.geref.) Vlaardingen 13-10-1799

    Onderstaand verhaal gaat over een man die bij Jan vd Lugt in de koloniewoning is opgenomen;
    Verhalen uit de kolonie Wilhelmina-oord (1)

    De kleding tot op het bloote ligchaam nagezien

    Met hun aankomst op woensdag 4 juli 1821 behoren Hendrik Jans Duijker en zijn gezin tot de eerste bewoners van Wilhelminaoord. Duijker is ongeveer 34 jaar, evenals zijn echtgenote Wijtske, en ze hebben acht kinderen. Ze komen uit Workum en daar had Hendrik vroeger het beroep 'kuiper' uitgeoefend en Wijtske dat van 'spinster'. Omdat de kinderen nog klein zijn is er wat weinig arbeidskracht in huis en daarom wordt er een wees aan toegevoegd uit het weeshuis van het Zuid-Hollandse Oudewater. De 11-jarige Arie Roesteen is blijkbaar een harde werker en omdat Hendrik Jans 'zelfs een man is, die door sterken arbeid veel geld wint', behoren de inkomsten van het samengestelde huisgezin tot de hoogste van de kolonie. Maar na een half jaar komen er klachten.

    De Regenten van het Weeshuis te Oudewater hebben over de Duijkers vernomen dat die 'door het vloeken, de slegtste voorbeelden' geven en dat zij de jonge Arie er zeer armetierig laten bijlopen. Hij zou 'somwijl zonder koussen en als in lompen gehuld' gaan. Verder is vernomen dat hij bij zijn gastgezin 'zoo veel honger lijdt, dat hij bij andere kolonisten een stuk brood moet vragen'. Zulke klachten worden serieus genomen en de directeur van de kolonie gaat op onderzoek uit. Dat het jongentje Arie in lompen loopt is geheel onwaar, meldt hij. 'Zoo zelfs, dat ik het gisteren onverwagt bij de spinzaal aantrof en aangenaam wierdt verrast, daar het zelve zodanig te vinden, dat slechts de linnen broek aldien behoorde te zijn gerepareerd.' De directeur houdt niet van half werk: 'Niet te vreden met het uitwendige heb ik de kleding tot op het bloote ligchaam nagezien, en zelfs het hemd schoon en zonder de minste verzuiming hersteld gevonden.'

    Vervolgens wil hij rond etenstijd een kijkje nemen bij het gastgezin, maar hij komt te laat. 'Toen ik gisteren bij Duijker kwam, was daar reeds gegeten.' Maar de vrouw des huizes toont hem 'het overschot, bestaande in een grote portie gort, waar over vet en stroop' en dat lijkt de directeur een goede en voedzame maaltijd. Alleen bij één aspect heeft hij twijfels, hij kan zich voorstellen dat Arie 'door te hoog vloeken' een slecht voorbeeld krijgt. 'Duijker en derzelver vrouw bij wien dit kind is ingedeelt zijn menschen enigsints ruw.' Maar voor de rest is zijn conclusie dat de klachten onterecht zijn. En hij heeft ook een vermoeden hoe ze in de wereld gekomen zijn.

    Tegelijk met de klachten over de behandeling van Arie had Oudewater ook klachten opgevangen over de behandeling van een meisje bij huisverzorger Reedijk. De directeur wijst erop dat er in Wilhelminaoord ook twee gezinnen uit Oudewater wonen (Bouwman en Van Puffelen). Hij denkt dat die graag die twee harde werkers in huis zouden willen hebben en dat zij daarom 'de kinderen tot het inbrengen van klagten hebben aangespoort'. Dat plannetje gaat dus niet door. De directeur plaatst Arie wel over, want de regenten in Oudewater moeten te vriend gehouden worden en hij weet nog wel een gezin (Jan van der Lugt) waar minder 'hoog' gevloekt wordt. Maar niet naar die kolonisten uit Oudewater!

    Bovenstaande komt uit een brief van de subcommissie Oudewater dd 22 februari 1822 en een brief van kolonie-directeur Visser dd 27 februari 1822, beiden invnr 60.


  • Generated by GreatFamily 2.2 update 2